Waarom ik dit boek schreef:
In januari 2004 kwamen twee Nederlanders vrij die vast zaten in een gevangenis
in Thailand. Zij kregen van de Thaise regering gratie tijdens een staatsbezoek
van Koningin Beatrix. Kort daarvoor was door minister Donner bepaald dat de
reclassering zich alleen met vrijgelaten gedetineerden mag bezig houden als een
rechter dat in een vonnis heeft vastgelegd. Dat betekent dat mensen die in het
buitenland in detentie zitten en vrij komen niet meer bij de reclassering
kunnen aankloppen voor opvang.
Veel mensen die uit een buitenlandse gevangenis komen hebben geen opvang. En als
het thuisfront niet met open armen en een bos bloemen op je staat te wachten
blijft er niet veel meer over dan de straat of een opvanghuis.
Naar aanleiding van de vrijlating van de twee mannen uit de Thaise gevangenis
stond in het dagblad Trouw (24 januari 2004) een interview met Rien Timmer,
directeur van Stichting Exodus Nederland (SEN), waarin hij zegt dat als er
niemand voor deze mensen is, dat dan Exodus er voor hen is. Exodus, blijkt uit
dat artikel, heeft opvanghuizen voor ex-bajesklanten.
Ik las dat artikel, maar had geen idee wie of wat Exodus is. Ik heb contact
gezocht met Rien Timmer en wat ik toen van hem hoorde over Exodus maakte diepe
indruk op me. Uit dat gesprek is dit boek voortgekomen.
Het doel van dit boek is de opvang die Exodus biedt meer bekendheid te geven en
een breder draagvlak creëren voor Exodus in onze samenleving. Ik heb gesprekken
gehad met vijfentwintig mensen die op de één of andere manier te maken hebben
met Exodus.
Deze gesprekken zijn weergegeven in de drie delen waaruit dit boek bestaat.
Utrecht, november 2005 Cornelie van Well
naar boven
|