Recensie in maandblad Geestelijke volksgezondheid
Het Trimbos instituut geeft
Maandblad Geestelijke volksgezondheid uit.
Recensie:
Hoe gaan we om met psychiatrische patiënten die niet alleen een gevaar vormen voor
zichzelf maar ook voor hun omgeving? Veel van deze patiënten ontbreekt het aan ziekte-inzicht en motivatie voor behandeling. Mede daarom blijkt het in de praktijk vaak uitermate lastig om hun passende zorg te bieden en, daarmee een veilige situatie te creëren. Maar als dat niet lukt, dan is het mogelijk dat ze zich schuldig maken
aan een
ernstig geweldsdelict, en zelfs een TBS-maatregel opgelegd krijgen.
Vanwege verschillende incidenten, waaronder onttrekkingen aan het
toezicht, en daarop volgende debatten in de Tweede kamer, is de TBS de
afgelopen jaren herhaaldelijk in het nieuws geweest. Veel mensen hebben
een uitgesproken beeld van een TBS-patient: een gewetenloze,
onvoorspelbare en gevaarlijke man die iedereen, inclusief zijn
behandelaars, om de tuin weet te leiden. In deze bundel, gebaseerd op
zeventien interviews, schets Cornelie van Well (humanisticus en geestelijk
verzorger) een compleet ander beeld van forensische psychiatrische
patiënten. Ze laat mensen aan het woord die in het publieke debat vrijwel
nooit worden gehoord: patiënten zelf, hun ouders, geestelijk verzorgers en
vrijwilligers.
Vooral de vijf interviews met de ouders van patiënten maken grote
indruk. Uit hun verhalen spreekt wanhoop en machteloosheid. De
overeenkomsten tussen hun ervaringen zijn opvallend. Vaak ontstonden er
pas in de pubertijd problemen met hun kind: spijbelen, slechte
schoolresultaten en softdruggebruik. De ouders zagen dat er iets niet in
orde was en gingen op zoek naar hulp. Bij hulpverleningsinstanties vonden
ze echter veelal geen gehoor en kregen ze nogal eens het advies om hun
kind flink aan te pakken. Een moeder die hulp zocht voor haar zoon kreeg
bijvoorbeeld van de Raad voor Kinderbescherming het advies om dat lastige
ventje maar eens op straat te zetten.
Veel van de geïnterviewde ouders verwijten zichzelf dat ze te laat
hebben ingezien dat hun kind psychotisch was en dat zij het niet altijd de
benodigde steun konden bieden. Zo durfde een van de moeders haar zoon een
tijd lang niet meer in huis te laten toen hij tegen familieleden had
gezegd dat zijn moeder moest ‘lijden en eindigen’. Daarover voelt ze zich
nog steeds schuldig. Verschillende ouders houden hun kind (dat psychotisch
is maar niet in goede zorg terechtkomt) dag en nacht in de gaten. Ze gaan
haast ten onder aan deze zorgtaak, maar ook voor hun overige kinderen is
het heel belastend. Veel ouders zijn verontwaardigd over het gemak waarmee
sommige psychiaters (bij patenten zonder ziekte-inzicht, bijvoorbeeld, na
één gesprekje, zonder heteroanamnese) diagnoses uitdelen of wijzigen, of
een IBS beëindigen. Als hun kind een delict heeft gepleegd en in detentie
verdwijnt, volgt een periode van machteloos toekijken en afwachten.
Sommigen keken letterlijk toe tijdens een strafzitting: vanaf de publieke
tribune moesten ze toezien hoe slecht hun kind (na detentie, zonder
adequate zorg en hulpverlening) eraan toe was. Vele ouders beschouwen een
TBS-maatregel als een schrikbeeld, maar zij merkten vervolgens dat hun
kind in een TBS-instelling eindelijk de broodnodige zorg kreeg. Bovendien
werden zij voor het eerst serieus genomen en mochten meedenken en
meepraten over de behandeling. De trieste conclusie van vele ouders is:
‘Het was allemaal te voorkomen geweest.’
Afvalputje
Deze conclusie dringt zich op in de interviews met hulpverleners. Zij
vertellen over hun ervaringen in de forensische psychiatrie. Zo vertelt
Christiaan Donner, geestelijk verzorger in een jeugdinrichting, dat hij
inmiddels het idee heeft laten varen dat hij ‘zijn’ kinderen zou kunnen
redden. Wel kan hij, zoals hij zegt, er voor ze zijn, een veilige plek
bieden en naar ze luisteren. Vrijwilliger Jill legt uit dat een van de
weinige dingen die zij kan doen, is laten zien dat je met iemand afspraken
kunt maken en dat die ander (in dit geval: zij) zich daar dan aan
houdt.
De professionals ervaren ook veel beperkingen in hun werk. Zo heeft
psychiater Jessica Wesselius in het Huis van Bewaring weinig mogelijkheden
voor het behandelen van zwaar gestoorde mensen en lukt het haar vrijwel
niet om patenten dor te plaatsen naar psychiatrische klinieken. Vooral aan
delinquenten met zware psychiatrische problematiek die illegaal in
Nederland verblijven, heeft ze weinig te bieden. Penitentiair
Inrichtingsmedewerker Kathy maakte mee dat een illegale gestoorde vrouw
die geen Nederlands sprak, na de detentie op straat werd gezet en werd
verwezen naar een bushalte. Advocate Jacqueline Kuiper trekt de sombere
conclusie dat het strafrecht het afvalputje is geworden van mensen waar
‘men’ niets mee te maken wil hebben.
Geen zwartboek
Tijdens het lezen van dit boek vroeg ik me af: met welk doel is het
geschreven? Gaat het nu over psychotische patiënten die met strafrecht in
aanraking kwamen door dat de GGZ faalde? Of wil de auteur laten zien wat
het verhaal is achter de TBS-patient? Het voorwoord door Grietje Santing
(oud-voorzitter vereniging Ypsilon) en de verhalen van de ouders
suggereren het eerste. De inleiding door hoogleraar forensische
psychiatrie Dick Raes, en ook de interviews met patiënten zelf (met een
traumatisch verleden en lijdende aan een persoonlijkheidsstoornis)
beantwoorden veeleer de tweede vraag. De auteur zelf horen we pas in het
nawoord. Dat bevestigt mijn vermoeden dat ze geen duidelijke keuze heeft
kunnen maken. Ze wilde geen zwartboek samenstellen, maar een realistisch
boek met verhalen van mensen die op de een of andere manier te maken
hebben met de forensische psychiatrie. Maar, aldus de auteur, er is zo
veel mis in de psychiatrie en justitie.
De onduidelijkheid over het doel van dit boek doet echter niets af aan
de leesbaarheid. De verhalen zijn uitstekend geschreven en zullen niemand
onberoerd laten. Dit boek biedt een uniek perspectief op de forensische
psychiatrie en daarom zou eenieder die hierbij betrokken is het moeten
lezen. Koop het, lees het, en geef het door aan een collega!
Een zin die in dit boek telkens terugkeert, is: ’Het was allemaal te
voorkomen geweest…..’ In individuele gevallen zijn fouten inderdaad vaak
goed aan te wijzen. Maar het is lastiger om dat wat we leren van eigen en
andermans fouten, om te zetten in betere zorg en beleid. Dit boek kan
hierbij een belangrijk hulpmiddel zijn.
Joke Harte Psycholoog
Vrije Universiteit Amsterdam, afdeling Strafrecht en Criminologie
Maandblad Geestelijke volksgezondheid, april 2008, p. 357 e.v.
naar boven
|