Recensie in Sociale Psychiatrie
In het novembernummer van het blad van de V&VN
Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen verscheen een recensie
geschreven door Gerard Lohuis:
Een kwetsbaar mens
Met de zorg voor mensen die buiten de
maatschappelijke boot vallen is het niet altijd goed gesteld. Wanneer
teams uit de OGGz of bemoeizorg eenmaal cliënten in beeld krijgen, lukt
het maar moeizaam om ze binnen de reguliere zorg verder te helpen. Het
zelfde lijkt te gelden voor de tbs’ers. Vanuit verschillende perspectieven
worden in dit boek verhalen verteld over mensen die door beperkingen in
hun gedragsrepertoire, voortvloeiend uit een psychiatrische
stoornis,uiteindelijk met een tbs-maatregel in een forensisch
psychiatrische setting belanden.
Raes, hoogleraar forensische psychiatrie merkt
droogjes op dat 60% van de groep tbs’ers bij de GGz in behandeling is
geweest voordat ze tot een delict kwamen. Jessica Wesseling, psychiater,
meldt dat het haar in 1 jaar tijd maar drie keer is gelukt om iemand
vanuit het Huis van Bewaring binnen 1 week overgeplaatst te krijgen naar
een psychiatrisch ziekenhuis en dat ze veelal gedwongen is mensen met
psychiatrische problemen in de gevangenis te sederen om het leefbaar te
houden voor andere gedetineerden. Zij vraagt letterlijk om een lagere
drempel bij psychiatrische ziekenhuizen om psychisch ontspoorde
gedetineerden eerder op te nemen.
Het is duidelijk, zo blijkt uit de bijdrage van
forensisch psychiatrisch geneeskundige Jan Gorter, dat er gebrek aan
behandelcapaciteit is en dat cliënten soms botweg worden geweigerd door
psychiatrische ziekenhuizen omdat ze onbehandelbaar zouden zijn (‘er geen
eer meer aan te behalen is’). Wanneer in de Volkskrant van vrijdag 5
oktober is te lezen dat jeugdinrichtingen er nauwelijks in slagen
criminele jongeren op te voeden, dan kon het in die toekomst nog wel eens
veel beroerder worden wat de capaciteit betreft.
De verhalen worden indringender wanneer ze worden
verteld door ouders of betrokkenen bij een cliënt, of wanneer de tbs’er
zelf aan het woord komt. Zoals Eric, die een tbs opgelegd heeft gekregen
na een leven waarin de politie al op jonge leeftijd over de vloer kwam en
hoe hij als jeugdige een ‘gemakkelijke prooi’ werd voor het criminele
circuit.
Of het verhaal van Manja die na een jeugd met
incestervaring en als verpleegkundige op een oncologie-afdeling te hebben
gewerkt, wegglijdt en de controle over haar leven verliest. Tot ze na de
zoveelste suïcidepoging, en gedrenkt in de alcohol het spoor totaal kwijt
raakt en in het tbs-circuit belandt. De ouders van Rogier vertellen hoe ze
uit radeloosheid hun eigen zoon bij de politie aangaven in de hoop dat hij
uiteindelijk geholpen zou worden en vervolgens van Rogier te horen kregen
‘dat ze hem weer hadden laten opsluiten’.
In 17 verhalen komen professionals en betrokkenen
aan het woord.
Cornelie van Well is er met dit boek in geslaagd
om een realistische weergave te geven van de wereld rond de tbs en
forensische psychiatrie. Het zijn indringende verhalen waarin
machteloosheid van alle betrokkenen strijden met de beste wil van iedereen
om de zorg en ondersteuning beter te laten verlopen. Dat er nog veel mis
gaat is duidelijk.
Dat het de auteur te doen is om zonder zwarte
pieten uit te delen, de schrijnende werkelijkheid onder woorden te
brengen, verdient grote waardering. Niet voor niets blijkt haar
betrokkenheid uit het citaat van Gerrit Achterberg (bekend dichter die ook
achter de tralies belandde):
Morgen gaat het beter,
beter, beter… En laat mij weer naar huis toe
gaan.
Gerard Lohuis
Sociale Psychiatrie, oktober 2007.
inhoud naar boven
|