Juni 2007: Recensie in Ypsilon Nieuws
Er moet eerst iets ernstigs gebeuren……
“Als je gezonde kind rond zijn achttiende ineens in de war raakt, psychotisch en
ziek wordt, dan is dat verbijsterend. Maar als je kind tengevolge van wanen
door buitensporig gedrag in aanraking met politie en justitie komt en achter de
tralies belandt, is dat onaanvaardbaar”, schrijft Grietje Santing,
oud-voorzitter van Ypsilon, in het voorwoord van het boek ‘Een kwetsbaar mens’,
waarin Cornelie van Well 17 verhalen optekende van familieleden van deze dubbel
getroffen mensen.
Nog meer verbijstert het mij in een van de verhalen te lezen dat een moeder pas
hulp en zorg voor haar zoon krijgt nadat hij in een tbs-kliniek is beland. Na
jaren, veelal tevergeefs, smeken om hulp bij de reguliere GGZ, na jaren zelf
gezorgd te hebben voor haar zieke zoon die in zijn wanen soms niet wist wat hij
deed. Totdat er iets ernstigs gebeurde waarvoor hij een tbs opgelegd kreeg, een
‘ter beschikking stelling van de regering’.
Na twee jaar wachten in detentie kon eindelijk die maatregel ten uitvoer
gebracht worden in de tbs-kliniek in Groningen, ver van moeders woonplaats. Tot
haar verbazing kreeg zij zelf ook de nodige hulp van de medewerkers van die
kliniek, zelfs een reiskostenvergoeding werd haar aangeboden! En iemand kwam
thuis met haar praten, had ook voor haar noden en ellende een luisterend oor.
Dat was haar nog nooit overkomen!
Berg van regels
Uit vijf verhalen van ouders (drie alleenstaande moeders en een echtpaar) komt
een baaierd aan ellende en verdriet naar voren. Jaren van rondtobben met hun
zieke kind en met hun hulpvraag aan de reguliere GGZ. Het wemelt van de
communicatiestoornissen, onbegrip, onmacht, maar spijtig genoeg ook van pure
onwil aan de kant van de hulpverlening. Er moet eerst iets ernstigs gebeuren.
Dat lijkt niet alleen zo, in deze gevallen heeft het gebrek aan adequate hulp
daar in feite toe geleid. De geestelijke gezondheidszorg wordt beperkt door een
reeks van bezuinigingen op de verkeerde plekken en een berg van regels en
protocollen waar zij haar onmacht veelal achter verschuilt.
Ook de verhalen van de hier geïnterviewde hulpverleners in de forensische
psychiatrie liegen er niet om. Psychiaters, geestelijk verzorgers, begeleiders,
vrijwilligers en advocaten; er spreekt weinig hoop uit hun woorden. Weinig
strijdvaardigheid richting overheid en politiek voor verbetering van de
werkomstandigheden voor zichzelf en nog minder voor de leef- en woonomgeving
van patiënten.
Het enige dat sommigen van de hulpverleners nog voldoening geeft is het werken
met de patiënten zelf. Dat geldt zeker voor de geestelijk verzorgers. Zij
hebben de patiënten in detentie iets waardevols te bieden: zij hebben de tijd
om naar hen te luisteren en wat hen verteld wordt blijft geheim. Geestelijk
verzorgers van alle gezindten hebben een heel speciale vertrouwensfunctie waar
zij dankbaar gebruik van maken.
Ypsilon
Voor de familie is in de meeste gevallen noch in de reguliere hulpverlening
voorafgaand aan de detentie, noch daarna aandacht, laat staan zorg en
daadwerkelijke hulp. Een advocate in dit boek verwijst naar Ypsilon. Dat is in
ieder geval al iets. Verder concludeert zij: “Het strafrecht is het afvoerputje
geworden van mensen waar je (lees: de maatschappij, dus wij allemaal) niets mee
te maken wil hebben.” In dat ‘afvoerputje’ komen ook jonge mensen terecht,
zelfs 12- tot 18-jarigen.
Jongeren die onder invloed van hun wanen ernstige gedragsstoornissen hebben
vertoond maar geen crimineel feit hebben begaan! Ik herinner me nog het verhaal
van de grootouders die bij hun kleinkind achter tralies op bezoek gaan (YN
3-2006, red.). Te bizar voor woorden, maar akelig genoeg, waar gebeurd vanaf de
eerste letter tot de laatste punt!
Na afloop van de detentie is er geen of nauwelijks nazorg. Er moet een plek
gevonden worden in een psychiatrische kliniek dan wel opvang in de
maatschappij. De reguliere psychiatrie zit niet te wachten op patiënten met een
ernstige gedragsstoornis, zeker niet als die aanleiding is geweest tot een
veroordeling. Het verhaal van de familievertrouwenspersoon die in het boek aan
het woord komt spreekt voor zich. Hij doet wat hij kan om in voorkomende
gevallen te bemiddelen tussen familie en hulpverlening, daar waar de
communicatie is vastgelopen.
Het wemelt van het niet nakomen van afspraken, niet bereikbaar zijn, wisselende
casemanagers en andere hulpverleners waardoor het verhaal steeds opnieuw
verteld moet worden. Wat familieleden hier meemaken valt aan de ‘gewone wereld’
niet meer uit te leggen.
De rode draad in alle verhalen is: bij goede preventie had niet hoeven gebeuren
dat een patiënt achter de tralies komt. Een ander probleem is dat de detentie
in een gevangenis of huis van bewaring, de wachttijd tot er een plek vrij is in
de tbs-kliniek, veel te lang duurt. Al die tijd wordt er niet behandeld, in het
beste geval medicatie, maar geen therapie.
Pleidooi voor deskundigheid
De schrijfster, Cornelie van Well, is een goede bekende van Ypsilon. Zij is niet
alleen naastbetrokkene, maar zelf werkzaam als geestelijk verzorger. Zij kent
de noden en het verdriet van familieleden van patiënten met een psychiatrische
stoornis van nabij. Zij schreef eerder ‘Diagnose schizofrenie’ (YN 5-2003,
red.).
Ook in ‘Een kwetsbaar mens’ geeft ze door de verschillende invalshoeken een
scherp en authentiek beeld van de dubbele problematiek van deze groep patiënten
en hun naast betrokkenen. Het is een doordringend pleidooi voor meer
deskundigheid. Deskundigheid ten aanzien van behandeling in de reguliere GGZ om
detentie te voorkomen, deskundigheid van de mensen in de forensische
psychiatrie als het er toch van gekomen is en deskundige begeleiding voor de
naaste omgeving van deze groep kwetsbare mensen.
Patiënten hebben recht op een adequate behandeling en goede zorg, ook in
beveiligde klinieken als dat wegens omstandigheden moet.
Liesbeth Gerris
naar boven
|